Het sublieme is een esthetisch concept van 'het verhevene', van schoonheid die groots en gevaarlijk is. Door de 17e en 18e eeuwse Europese intellectuele traditie werd het sublieme nauw verbonden met de natuur. Pas in de 20e eeuw werd het technologische sublieme vervangen door het natuurlijke sublieme. Zijn onze gevoelens van ontzag en angst overgebracht naar fabrieken, oorlogsmachines en de onkenbare, oneindige mogelijkheden die worden gesuggereerd door computers en genetische manipulatie?
Wanneer we een landschap of een kunstwerk ‘subliem’ noemen, drukken we het feit uit dat het een bepaalde schoonheid of excellentie oproept. Merk op dat het ‘sublieme’ niet alleen een esthetische karakterisering is; een morele handeling van hoog aanzien of een ongeëvenaard doelpunt in een voetbalwedstrijd kan ook ‘subliem’ worden genoemd.
In grote lijnen is het sublieme iets dat het alledaagse overstijgt. Dit aspect van zijn betekenis komt treffend tot uiting in het Duitse woord voor het sublieme: het ‘verhevene’ (das Erhabene). In de laatste term horen we ook echo's van de religieuze connotatie van het concept. Het sublieme confronteert ons met dat wat ons begrip te boven gaat.
Het begrip van het sublieme gaat ver terug. Het stamt uit het Latijnse ‘sublimis,’ wat – letterlijk gebruikt – ‘hoog in de lucht’ betekent, en figuurlijk ‘verheven’ of ‘groots.’ Een van de oudste essays over het sublieme dateert uit het begin van onze jaartelling. Het is een Grieks manuscript getiteld Over het sublieme, lange tijd toegeschreven aan Longinus, hoewel dit waarschijnlijk onjuist is.
In deze verhandeling geeft de auteur geen definitie voor ‘het sublieme,’ en sommige classicisten twijfelen zelfs of ‘het sublieme’ wel de juiste vertaling is van het gebruikte Griekse woord – hypsous. Aan de hand van een aantal citaten uit de klassieke literatuur bespreekt de auteur geslaagde en minder geslaagde voorbeelden van het sublieme. Ten eerste moet het sublieme zich richten op grote en belangrijke onderwerpen en geassocieerd worden met krachtige emoties. Voor pseudo-Longinus raakt het sublieme landschap zelfs aan het goddelijke. De natuur “heeft in onze zielen een onoverwinnelijke hartstocht geplant voor alles wat groot is en voor alles wat goddelijker is dan wij zelf” (Longinus 1965, 146).
Het dynamische sublieme roept zowel ontzag als angst op; het induceert een ‘negatieve lust’ waarin aantrekking en afstoting samensmelten tot één ambigue ervaring.
Longinus’ essay werd nauwelijks opgemerkt door zijn tijdgenoten en in de eeuwen die volgden, vinden we zelden verwijzingen naar deze tekst. Het essay werd pas voor het eerst gedrukt in 1554 in Basel. Maar pas na de Franse vertaling door Boileau (1674) en de Engelse vertaling door Smith (1739) begon de tekst aan zijn zegetocht door de Europese cultuurgeschiedenis.
Vanaf de barokperiode, die culmineerde in de romantiek, groeide het sublieme uit tot het centrale esthetische concept, waarbij het vaak werd geassocieerd met de ervaring van de natuur.
In de achttiende eeuw vinden we het vooral terug in de beschrijvingen van de natuur van een aantal Britse auteurs, weergaven van hun indrukken verzameld tijdens Grand Tours door Europa en de Alpen (een gebruikelijke praktijk in die tijd onder jongeren uit welgestelde families). Deze auteurs gebruiken de term om de vaak angstaanjagende immensiteit van het berglandschap in woorden uit te drukken.
Het sublieme verwijst naar de wilde, onbegrensde grootsheid van de natuur, die daardoor sterk contrasteert met de meer harmonieuze ervaring van schoonheid. In A Philosophical Inquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and Beautiful (1756) definieert Edmund Burke het sublieme als een “heerlijke verschrikking” (Burke en Womersley 1998, 101-102). Dat de krachten van de natuur de toeschouwer niettemin in een staat van extase kunnen brengen, hangt samen met het feit dat de toeschouwer deze krachten van een veilige afstand waarneemt.
In de Duitse romantiek verliest het sublieme echter zijn onschuldige karakter. Het werk van Immanuel Kant is in dit opzicht van bijzonder kritisch belang. In de Kritiek van het Oordeelsvermogen (Kritik der Urteilskraft, 1790) maakt Kant, in navolging van Burke, een expliciet onderscheid tussen het schone (das Schöne) en het sublieme (das Erhabene). Mooi zijn die dingen die ons een aangenaam gevoel geven. Ze vervullen ons met verlangen omdat ze onze hoop lijken te bevestigen dat we in een harmonieuze en doelmatige wereld leven. Een mooie zonsopgang bijvoorbeeld geeft ons de indruk dat het leven eigenlijk zo slecht nog niet is. Het sublieme daarentegen is verbonden met ervaringen die onze hoop op harmonie verstoren. Het wordt opgeroepen door dingen die ons begrip en onze verbeelding te boven gaan vanwege hun onbegrensde, buitensporige of chaotische karakter (Kant 1968, B74B).
Kant maakt verder een onderscheid tussen het wiskundige sublieme en het dynamische sublieme. Het eerste, het wiskundige sublieme, wordt opgeroepen door dat wat onmeetbaar en kolossaal is, en heeft betrekking op het idee van oneindigheid. Wanneer we de immensiteit van een berglandschap aanschouwen of naar de uitgestrekte nachtelijke hemel kijken, worden we overweldigd door een besef van onze nietigheid en eindigheid.
Kant associeert het tweede, het dynamische sublieme, met de superieure krachten van de natuur. De voorbeelden die hij gebruikt zijn vulkaanuitbarstingen, aardbevingen en woeste oceanen. Ook hier ervaren we onze nietigheid en eindigheid, maar in deze gevallen wordt dit inzicht aangevuld met het


Comments (0)
Share your thoughts and join the technology debate!
No comments yet
Be the first to share your thoughts!